donderdag, september 17

Hoe duurzaam zijn de keukens die jij verkoopt? En hoe vind je eigenlijk een concreet antwoord op deze vraag? Duurzaamheidsadviseur en interieurontwerper Rick Porcelijn ontwikkelde een uitgebreid, praktisch toepasbaar systeem dat hij toepast voor projectinterieurs, maar deze is ook goed te gebruiken voor de keukenbranche. We namen de proef op de som met mijn eigen keuken. Als hoofdredacteur was ik wel benieuwd hoe duurzaam deze is.

Vorig jaar maakten we kennis met de CO₂Snelstarttool van Rick Porcelijn, een online instrument waarmee ontwerpers en interieurbouwers in een vroeg stadium materiaalkeuzes kunnen vergelijken op basis van hun klimaatimpact. 

De tool ontstond nadat Porcelijn merkte dat het compacte materialenoverzicht uit zijn boek Snelstartgids Circulaire Meubels veelvuldig gebruikt werd. Op basis van een goed onderbouwde database van de TU Delft, aangevuld met specifieke materiaalpaspoorten, maakte hij een praktisch te gebruiken selectie van de vijftig meest gebruikte materialen en oppervlakte-afwerkingen. Geen volledige levenscyclusanalyse, benadrukt hij, maar wel een praktische manier om snel inzicht te krijgen in de CO2-impact die vrijkomt bij de productie van materialen. Voor producten zoals keukenkasten en werkbladen is dit doorgaans de meest bepalende factor in de totale milieu-impact.  

Dat bracht de redactie van Keuken & Design op een idee. Wat gebeurt er als je niet naar een fictief ontwerp kijkt, maar naar een keuken die daadwerkelijk onlangs is gekocht? Een keuken zoals er jaarlijks duizenden worden verkocht in Nederland. Dat geeft wellicht een beeld van de impact van de keukenbranche op het milieu. 

Rick Porcelijn

De woonboulevardtest 

Nu staat er toevallig een hagelnieuwe, vrij doorsnee keuken in mijn woning. Waarschijnlijk vormt deze een redelijk representatief beeld van wat veel Nederlandse consumenten vandaag de dag aanschaffen. De perfecte keuken dus om eens te gebruiken voor zo’n duurzaamheidstest.  

Ook het aanschafproces zal redelijk illustratief zijn geweest. Gekocht ver voor de daadwerkelijke bouw van de woning. Er moest snel een technische tekening komen. Tijdens het verkoopgesprek was er daarom aandacht voor de opstelling, kasten en kleuren, maar relatief weinig voor de apparatuur, accessoires en geen woord over de impact op het milieu. De handtekening werd gezet, de technische tekening kon naar de inmiddels ongeduldige aannemer en vervolgens ging de aandacht alweer naar de volgende editie van Keuken & Design. 

Keuken ontleden 

Gezien dit nogal vlotte aankoopproces, vermoedde ik dat de keuken wel door Porcelijn door de mangel gehaald zou worden. Wanneer hij zijn rekenmodel erbij pakt, verandert de keuken van een woonobject in een stapel materialen, kilogrammen en emissiefactoren.  

“Nou, dat valt reuze mee”, constateert hij. “Mensen denken vaak dat een nieuwe keuken automatisch een klimaatzonde is, maar het is een genuanceerder verhaal.” 

Voor deze keuken is ongeveer 0,7 kubieke meter plaatmateriaal nodig. Omgerekend komt dat neer op zo’n 500 kilo MDF. Met een standaard emissiefactor van ongeveer 0,8 kilo CO2 per kilo materiaal betekent dat voor alleen de kasten rond de 400 CO2-uitstoot veroorzaakt is.  

Meetbaar

Om dat tastbaar te maken, doet Porcelijn wat hij vaker doet, namelijk de CO2-uitstoot vertalen naar iets herkenbaars: de productie van ongeveer honderd hamburgers. 

De MDF delen vervangen door een hoogwaardig spaanplaat met gerecyclede houtsnippers zou qua impact beter uitkomen, terwijl het uiterlijk van de keuken behouden blijft.

“Veel mensen denken dat massief hout of fineer beter is,” zegt Porcelijn. “Maar in veel gevallen heeft een hoogwaardige melamine afwerking juist een lagere impact.” 

Dat schuurt met het beeld van de keuken als luxe object. Maar in de praktijk blijkt industriële standaard soms milieutechnisch efficiënter dan ambachtelijke uitstraling. Melamine heeft niet de beste reputatie. Te goedkoop, te synthetisch, te ‘plastic’. Maar volgens Porcelijn is dat beeld achterhaald. 

“Dat imago komt uit de jaren zeventig,” zegt hij. “Maar de materialen zijn enorm doorontwikkeld en een houtdessin is nauwelijks van echt hout te onderscheiden. Tegenwoordig is het materiaal stabiel, goed produceerbaar en relatief goed te recyclen.” 

Belangrijker nog: de productie is strenger gereguleerd dan vaak wordt gedacht. Vooral als het gaat om emissies zoals formaldehyde. 

“De markt schuift van E1 naar E0.5. Dat betekent dat emissies ongeveer halveren. Dat klinkt technisch, maar in combinatie met het aandeel gerecyclede houtvezels maakt dit op schaal echt verschil. Toch zit de winst niet alleen in het materiaal zelf, maar vooral in de manier waarop het wordt toegepast.” 

Verf als probleem 

Waar Porcelijn de laatste jaren steeds kritischer naar kijkt, zijn niet de grote zichtbare onderdelen, maar juist de afwerkingen. 

“Het probleem zit zelden in het hout of de plaat zelf,” zegt hij.

“Maar juist in wat er daarna op wordt aangebracht. Verf, lijm en kunsthars blijken vaak complexer dan gedacht. Niet zozeer omdat ze op zichzelf extreem vervuilend zijn, maar omdat ze recycling bemoeilijken. Bij verbranding kunnen ze zeer giftige gassen vrijgeven en op de stortplaats breken ze niet af, maar vallen ze geleidelijk uiteen in microplastics.” 

Zodra materialen vervuild raken met onbekende coatings, moeten ze vaak op een veel intensievere manier worden verwerkt. “Dan gaat de energie-impact ineens flink omhoog”, vervolgt Porcelijn. “Terwijl het vaak om kleine toevoegingen gaat.” 

Zijn conclusie is praktisch: hoe eenvoudiger de afwerking, hoe beter. Dunne melamine toplagen en transparante lakken scoren vaak beter dan dikke dekkende systemen. En minder pigment betekent een grotere kans dat de volgende generatie er nog iets mee kan. 

Werkblad 

Vervolgens wordt het composiet werkblad door het rekenmodel gehaald. Geen beste keuze, blijkt al snel.  Alhoewel composiet bladen met een hoog aandeel mineraal doorgaans wat duurzamer scoren. 

Dat, terwijl in Nederland composiet een erg populair, zoniet het meest populaire materiaal is om als werkblad te gebruiken. “En dat is eigenlijk geen goede keuze,” zegt Porcelijn nuchter.  Composiet bestaat uit steen, glas en grind, maar wordt bij elkaar gehouden door een kunsthars.

“Hars, dat klinkt als een natuurlijk materiaal. Maar het is feitelijk gewoon een polymeer, een vorm van plastic die vermengd is en niet eenvoudig om te smelten is. Daardoor kun je composiet heel moeilijk hoogwaardig recyclen.” 

Het werkblad van deze keuken, inclusief de achterwand, komt uit op ongeveer 300 kilo CO2. Net iets meer dan alle kasten samen. 

En dan is er nog iets: de achterwand bleek niet goed ingemeten en is waarschijnlijk opnieuw geproduceerd. “Dat soort fouten zie je vaak terug in de praktijk. En die tikken behoorlijk aan.” 

Echte impact 

Tot nu toe lijkt de keuken nog relatief overzichtelijk qua impact. Tot de apparatuur wordt meegerekend. Koelkast, oven, inductiekookplaat met geïntegreerde afzuiging, vaatwasser en kokendwaterkraan: het zijn allemaal producten die je als consument niet wilt missen. “Maar daar zit de echte impact”, stelt Porcelijn. 

De totale productie-impact van de keuken zelf komt namelijk uit op ongeveer 800 kilo CO2 , maar de productie van de keukenapparatuur alleen al zorgt voor een uitstoot tussen de 1000 en 1650  CO2. “Zo’n oven bestaat gewoon niet uit milieuvriendelijke materialen. Koper, glas, staal, computercomponenten, kortom veel materialen met een hoge impact.”  

“Er is moeilijk exacte informatie over te vinden, maar wat iedere keer uit mijn berekeningen komt is dat de apparaten wel echt een hoge impact hebben. En veel componenten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en daardoor moeilijk hoogwaardig te recyclen.” 

“De impact van te vaak nieuwe apparatuur kopen, is gigantisch. Je moet bedenken dat veel mensen een keuken uit hun nieuwe woning slopen, gewoon omdat ze dat esthetisch niet mooi vinden. Dan gaat alles weg. Eigenlijk zou het normaal moeten zijn om op zijn minst te overwegen om keukenapparatuur te hergebruiken in een nieuwe keuken.” 

Op dit moment wordt dit helemaal niet besproken in de grote keukenketenwinkels. Dat, terwijl apparatuur meestal nog wel een ronde mee kan. “Dat geldt zeker voor de premium merken”, vindt Porcelijn. “Je kunt een front niet mooi vinden, of een bedieningspaneel, maar zo’n apparaat kan meestal nog een paar jaar mee.  

Daar zouden we iets op moeten bedenken, in samenwerking met de fabrikanten en natuurlijk met een mooi verdienmodel. Want, ik geloof vooral in het milieuvriendelijker maken van de interieurbranche als we er ook allemaal wat aan kunnen verdienen. Duurzaamheid moet altijd meer zijn dan een ideologie.” 

 

Comments are closed.